Ontwikkeling funderingen

De eerste gebouwen ontstonden meestal op wat hogere en drogere plaatsen, zoals zandplaten en oeverwallen. Op deze plaatsen, waar de ondergrond voldoende draagkracht bezat, was een kostbare fundering niet nodig. Men bouwde zonder palen (‘op staal’). In sommige gevallen maakte men gebruik van gemetselde spaarbogen.

Naderhand ging men ook bouwen op plaatsen die zich daar qua bodemgesteldheid minder voor leenden. De bouwers pasten hun methodes en materialen daar zo goed mogelijk op aan. Kerken in Noord-Holland (slappe ondergrond) hebben bijvoorbeeld vaker een relatief licht, houten (ton) gewelf, terwijl kerken in het oosten van het land (stevige ondergrond) veelal met zware, stenen gewelven werden uitgerust.

Poeren

In Nederland werd tot de zestiende eeuw overwegend in hout gebouwd. Huizen en andere gebouwen werden gefundeerd op keien of gemetselde poeren. Op deze poeren plaatste men opstaande stijlen, als onderdeel van het skelet. Hierop kwamen vervolgens de muurplaten en het dak te rusten.

Een nadeel van bouwen op poeren is dat deze ongelijk kunnen verzakken, waardoor de daarop rustende constructie ontwricht raakt. Daarom werden onder de bouwmuren geleidelijk aan vaker funderingsstroken aangebracht. Als deze zakken, gebeurt dat veel gelijkmatiger en zijn de gevolgen minder ernstig. Op zand was voor zo’n strook geen aanvullende fundering nodig, elders wel.

Naast houten huizen bouwde men reeds vanaf de vroege Middeleeuwen bepaalde gebouwen in steen, met name kerken, kastelen en raadhuizen. Deze grote gebouwen werden al vroeg gefundeerd op palen. Niet alle gebouwen werden echter onderheid. Soms probeerde men door middel van klei en kalkspecie de ondergrond te verstevigen.

Bij de bouw van de kerktoren Oldehove in Leeuwarden (1529) ging dat mis. Bijna vanaf het begin zakte de toren scheef. Per verdieping werd getracht de zaak bij te sturen. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de toren geknikt verrees en de bouw halverwege moest worden gestopt. Soortgelijke gevallen deden zich voor bij de kerktorens van Gorinchem, Dreischor en Acquoy.

Het verhaal dat kerken werden gefundeerd op koeienhuiden behoort tot het visserslatijn. Mogelijk is er verwarring ontstaan door het oude woord ‘huijen’, wat heien betekent. Het is ook denkbaar dat in de funderingsput huiden werden gelegd om droog te kunnen werken.

Slieten

De eerste paalfunderingen bestonden uit slieten: kleine paaltjes die in een grote hoeveelheid de grond in werden gedreven, waardoor een vorm van grondverdichting ontstond. Zo is een deel van de Oude Kerk in Amsterdam in de tweede helft van de dertiende eeuw gefundeerd op een groot aantal berken- of elzenhouten paaltjes. Op de paaltjes lag een dubbele rij stammen en een eikenhouten plaat, waarop direct werd gemetseld. Omdat deze paaltjes niet steunden op een zandplaat, ontleenden ze hun draagkracht in feite aan de kleef: ze bleven ‘plakken’ aan de omringende grond.

Het nadeel van de slieten was dat ze gemakkelijk konden wijken, waardoor vervormingen in het metselwerk optraden. Dat leidde tot een verbeterde vorm waarbij de slieten bij elkaar werden gehouden door een roosterwerk van rondhouten. Het nadeel bleef echter dat de slieten, slechts hangend op kleef, bij inklinking van de grond mee daalden, waardoor weer verzakkingen optraden.

Palen

Men bouwde op ervaring. Langzamerhand verbeterde de methode van funderen en werden de palen langer. Door schade en schande wijs geworden trachtte men de palen te heien tot de zandplaat, zodat de fundering op vaste grond stond. In 1550 verleende het stadsbestuur van Amsterdam concessie voor de verhuur van heistellingen. Daarin stond dat palen een lengte dienden te hebben van dertig tot veertig voet (8,5 tot 11,3 meter).

De toenemende bemoeienis van de overheid leidde in de zestiende eeuw tot nieuwe wijzigingen in het funderingssysteem. Bij zware gebouwen bestond deze uit koppels van twee palen, waarop twee zware funderingsbalken rustten.

Houten of ijzeren nagels, hakkelbouten genaamd, verbonden de balken met de paalkoppen. Om het wijken van de palen te voorkomen stabiliseerde men vanaf de zeventiende eeuw het palenkoppel met een dwarshout of kesp. Naderhand is deze methode van funderen nog verbeterd door het aanbrengen van een schuifhout, waardoor het metselwerk niet meer van de funderingsplaat kon schuiven.

Het systeem met paaljukken (twee palen en een kesp) staat bekend als de Amsterdamse methode. Het systeem met één paal, waardoor een kesp overbodig is, staat bekend als de Rotterdamse methode. Beide methoden of varianten daarop zijn tot de Tweede Wereldoorlog toegepast.

Beton

Vanaf 1924 werden bij paalfunderingen zogenaamde betonopzetters toegepast. Deze werden over de kop van een houten funderingspaal geheid. Het voordeel was dat nu geen problemen meer te verwachten waren door wisselende grondwaterstanden. Bovendien sloot de betonopzetter beter aan op de te formeren betonnen funderingsbalk. Na de Tweede Wereldoorlog werden de houten palen langzamerhand vervangen door geprefabriceerde betonnen palen. Alleen voor lichte constructies worden nog steeds houten funderingspalen gebruikt.

 

Deel dit artikel: LinkedIn Google+