Ontwikkeling vensters

Vensters en deuren geven gezicht aan een gevelpartij en zijn kenmerkend voor de architectuur. Zij zijn sterk aan mode onderhevig en konden betrekkelijk gemakkelijk worden aangepast of vernieuwd. Aan de plaats en de vormgeving zijn vaak de diverse stijlperioden af te lezen.

De eerste vensters waren eenvoudige lichtspleten. Daaruit ontwikkelde zich het venster als een belangrijk element in de architectuur. Voor de niet-kerkelijke gebouwen is het kruiskozijn eeuwenlang beeldbepalend geweest. Zesdelige kruiskozijnen kwamen ook voor bij hoge verdiepingen en bel-etages.

Aan het einde van de zeventiende eeuw verscheen het bekende venster met schuifraam. Pas in de loop van de achttiende eeuw werd dit venster beeldbepalend. Daarnaast kwamen vooral in de zuidelijke Nederlanden de zogenaamde Franse vensters, met naar binnen draaiende ramen, in zwang. In de loop van de negentiende eeuw werden steeds grotere ruiten mogelijk. Zo ontstonden de 3×2- en 4×2-ruits empirevensters. Deze ontwikkeling liep rond 1900 uit in de zogenaamde T-vensters, waarvan het bovendeel vaak was bezet met gekleurd kathedraalglas of glas-in-lood, niet zelden met Jugendstilmotieven. In de jaren twintig en dertig verschenen de typische venstervormen van de Amsterdamse School, met laddervormige roedenverdeling als vlakvulling in de gevelwand, alsmede de stalen ramen van de architecten van de Nieuwe Zakelijkheid.

Luiken

Luiken vormden vanouds een vast onderdeel van de vensteropeningen. Hiermee kon de toevoer van zowel licht als lucht worden geregeld. Bij de oudste kruiskozijnen was de bovenhelft bezet met het kostbare glas-in-lood voor het licht en had de onderhelft luiken voor het al dan niet binnenlaten van lucht en licht.

Aan het einde van de vijftiende eeuw trad een sterke vergroting van de glasproductie op en werden grotere oppervlakken van glas voorzien. Het luik werd toen een toevoeging bij naar binnen draaiende ramen en later bij schuiframen.

In de negentiende eeuw dienden luiken om hinderlijk zonlicht te weren, zonnewarmte uit huis te houden en als veilige afsluiting. Toen vonden ook de zonneblinden of persiennes steeds meer toepassing. Daarna hebben luiken lange tijd voornamelijk gediend als aankleding van de gevel. Geleidelijk aan worden de kwaliteiten als bescherming tegen inbraak en geluid en als isolatie tegen warmte en kou echter herontdekt.

Deuren

Deuren in voorgevels en als hoofdtoegang tot grote gebouwen, moesten iets uitdrukken van de status van de eigenaar of de belangrijkheid van het bestuur dat in het gebouw gehuisvest was. Deuren werden daarom aangepast aan de mode van de tijd. In de 16e en het begin van de 17e eeuw werden paneeldeuren gemaakt van eikenhout met zes tot acht kleine even grote panelen in twee stroken naast elkaar. In de loop van de 17e eeuw werd voor de deuren steeds meer geschilderd grenen met twee panelen toepast.

Door de invloed van de Barok, in de 18e eeuw werden dit paneeldeuren met één groot langgerekt paneel. Bij belangrijke deuren werd dit paneel voorzien van een opgelegd kussen en ingebogen hoeken met rozetten. Bij paneeldeuren zoals toegang van herenhuizen en naar belangrijke ruimten, werd het paneel niet alleen door middel van een groef in de stijlen en regels of dorpels vastgehouden, maar ook door middel van opleglijsten. Deze zwaar geprofileerde lijsten staken buiten het vlak van de deur en gaven door de lichtspeling van het profiel de illusie dat het paneel ver terug lag. Afhankelijk van de tijd, konden deze geprofileerde lijsten enorm variëren. Bij voordeuren uit de barok en rococo van de 18e eeuw, werden getoogde en uitzwenkende panelen toegepast met langs het paneel gebogen opdeklijsten, al dan niet aangevuld met snijwerk.

 

Deel dit artikel: LinkedIn Google+